Oefening baart kunst

Column van Marlies Rijkers

Marlies Rijkers helpt scholen bij het kiezen van een methode beeldende vorming. Is het geven van vrije opdrachten de beste manier om kinderen zich creatief te laten ontwikkelen? Niet zonder meer, vindt Marlies. Een pleidooi voor technische tussenopdrachten.

De afgelopen jaren begeleidde ik tientallen schoolteams bij het kiezen van een methode beeldende vorming. De leerkrachten denken tijdens deze korte cursus na over de inhoud van het vak, de leerlijnen die ze willen hanteren en ze proberen methoden uit die dit ondersteunen. Fijn en belangrijk werk, vind ik altijd, dat teams de middelen en moed verschaft goed met het vak beeldende vorming aan de slag te gaan.

We praten veel met elkaar tijdens de bijeenkomsten. Leerkrachten zijn zich bewust van het belang van kunstzinnige vorming. Als belangrijke reden hiervoor noemen ze ‘de eigen persoonlijkheid ontwikkelen, zich kunnen en durven uiten’. En vervolgens, op de vraag wat dat zou inhouden voor de beeldende lessen: ‘vrije opdrachten geven, leerlingen zelf laten kiezen’. Dat lijkt een logisch antwoord. Gebonden zijn beperkt immers je mogelijkheden?

Volgens mij is dat een vergissing, zeker als het gaat om kinderen in de basisschoolleeftijd. Als je wilt bereiken dat kinderen zich echt leren uiten, is het belangrijk tussendoor bewust technische tussenopdrachten in te plannen. Opdrachten die in dienst staan van hun expressieve werk. Een goede methode voorziet daarin.

Om leerkrachten van het nut hiervan te overtuigen, laat ik hen het zelf ervaren. Bijvoorbeeld door een foto van een landschap na te schilderen. Eerst bespreken we de foto, zodat het beeld goed bekeken is. Over onderwerp en compositie hoeft dan niet meer te worden nagedacht; de opgave is ‘alleen’ om van de afbeelding een schilderij te maken. Ieder krijgt een kartonnen paletje met twee primaire kleuren (en witte) plakkaatverf, een paar kwasten en tekenpapier. De opdracht is om 15 minuten aan het schilderij te werken. Mijn aanwijzingen tijdens het werken: beschilder het hele papier, gebruik geen water, maak je kwasten eventueel schoon met een doekje. En vooral: realiseer de opdracht met de middelen die je ter beschikking staan. Meng je kleuren, kijk wat je kunt doen met je penseel.

Na afloop zijn de teams verrast. Want er is altijd sprake van aardige schilderingen, waarin kleurgebruik en penseelstreek samen zorgdragen voor samenhang. We bespreken wat moeilijk was, werken soms nog even door. En concentreren ons dan op de vraag hoe het komt dat iedereen – ook degene die ‘niet kan schilderen’ – nu toch echt een schilderijtje heeft gemaakt.

Het antwoord op deze vraag leert leerkrachten iets wezenlijks voor het beeldend werken met hun eigen leerlingen: de opdracht was beperkt genoeg, zodat ze zich op een behapbaar beeldend probleem konden concentreren. De opdracht was helder genoeg, zodat het resultaat kon worden beoordeeld en in een volgende ronde verbeterd. En het werk was praktisch genoeg aangepakt, zodat verf, kwasten en papier met succes konden worden gehanteerd.

Want ja, het uiteindelijke doel van beeldend onderwijs is dat kinderen zich op eigen wijze in materiaal durven uitdrukken. En het klopt dat wij hen ook al tijdens hun schooltijd de ruimte moeten bieden eigen werk te maken. Maar geef kinderen niet altijd alle ‘kunstenaarsproblemen’ tegelijk op hun bordje. Gun hen de kans een schilderij goed te leren aanpakken, mensfiguren te leren tekenen (onderwerp van zowat iedere vrije tekening!), driedimensionaal werk te construeren.

Je kunt dit werk als leerkracht goed aan, je hoeft zelf niet speciaal beeldend begaafd te zijn. Wees praktisch. Ontwerp een inrichting- en schoonmaakroutine voor de ‘rommellessen’. Wen je leerlingen eraan dat oefening kunst baart. Oefen zelf mee. Beoordeel samen het werk. Toon wat kunstenaars ervan hebben gemaakt. En profiteer van de opdrachten, evaluaties en curriculumopbouw die deskundigen voor je hebben uitgedacht: gebruik een methode.

Marlies Rijkers
Eigenaar en coördinator van Art & Sofie. Trainer voor de Kunstgebouw Academie.